In het perfectum (voltooid tegenwoordige tijd) bestaat de werkwoordsvorm uit een hulpwerkwoord ("hebben" of "zijn") plus een voltooid deelwoord.

Voorbeeld:

Hij had willen komen;

Hij heeft de auto laten repareren.

Hij zit een boek te lezen ⇒ Hij heeft een boek zitten lezen.

Ik probeer Frans te spreken ⇒ Ik heb geprobeerd Frans te spreken (of) Ik probeerde Frans te spreken.

Ze kunnen de weg niet vinden ⇒ Ze hebben de weg niet kunnen vinden;

Moet je vandaag werken? ⇒ heb je vandaag moeten werken?

Ik mag zijn laptop lenen. ⇒ Ik heb zij laptop mogen lenen;

wilde hij het eten betalen? ⇒ Heeft hij het eten willen betalen?

Hoor je de gasten praten? ⇒ Heb je de gasten horen praten?

Ik zie hem naar buiten lopen ⇒ Ik heb hem naar buiten zien lopen.

Hij voelde het aankomen ⇒ Hij heeft het aan voelen komen.

Ze blijven de hele dag werken ⇒ Ze hebben de hele dag blijven werken

Ze gaat bij een collega eten ⇒ Ze zijn bij een collega gaan eten

Peter komt de papieren halen ⇒ Peter is de papieren komen halen

<aside> 💡

When the verb of action is used, then use zijn instead of heb.

</aside>

Hij bleef lunchen ⇒ Hij is blijven lunchen

we laten het u snel weten ⇒ wij hebben het u snel laten weten